Dag 13 Op naar Etosha
Deze dag kregen we een uur extra, in de Caprivi houdt men namelijk de tijd van Botswana en Zuid-Afrika aan, terwijl de rest van Namibië de tijd van Windhoek aanhoudt. Dat kwam goed uit want we hadden een heel stuk te rijden.
Het was nog donker toen we onze tent uitklommen, maar tegen 07.00 uur nieuwe tijd waren we op pad. Tot Rundu was het erg rustig op de weg. In Rundu haalden we verse broodjes, en tankten de auto vol. We kenden het plaatsje niet meer terug, het was hard gegroeid, er waren heel veel nieuwe winkels en bedrijven bij gekomen.
Tot ongeveer halverwege Grootfontein waren er veel nederzettingen langs de weg. In bijna alle plaatsjes leek het marktdag te zijn, de hele bevolking was uitgelopen en had zich verzameld bij de paar matjes waar spullen op uitgestald lagen. Ook hier weer regelmatig koeien en geiten op de weg. Water werd door de lokale bevolking vervoerd op een soort houten slee die getrokken werd door ossen. Zij, die geen os hadden, moesten de kannen water op het hoofd dragen, in dit geval waren dat altijd de vrouwen. De temperatuur was weer opgelopen naar de 30 graden.
Na de veterinaire controle halfweg tussen Rundu en Grootfontein verdwenen de hutjes. Kilometers lange afrasteringen bakenden privé terrein af en de eerste makalali palmen verschenen langs de weg. Ook Grootfontein zag er beter uit dan we ons herinnerden, we tankten bij en pinden geld bij de ATM. De weg tot Tsumeb was weer rustig, later op het stuk B1 was het erg druk. Dat waren we niet meer gewend.
Klokslag 14.00 uur stonden we voor de poort bij Emanya@Etosha. Het lag aan de B38 zo'n 30 km van de Von Lindequist Gate bij Etosha verwijderd.
We checkten in en kregen een rondleiding. Een mooie, strak moderne lodge maar hier en daar wat slordige kleinigheden. Het begon al bij de gate, een jonge man die er niet erg netjes uitzag. Er liepen koeien en geiten over de toegangsweg. Het zwembad was niet schoon, de bedden waren slordig opgemaakt met gekreukte lakens. Er moest nog van alles nagebracht en aangevuld worden. De tv werkte niet. De dame die mij later hielp met de "tea and cakes" had een vuil shirt aan. Er stonden ook koeien bij het waterhole.
Vivian voelde zich niet lekker, ze ging gelijk languit onder de parasol bij het zwembad liggen.Wij relaxten in de schaduw bij een kop thee. De koeien verdwenen en elanden, waterbokken, kudu's en twee struisvogels kwamen een slokje drinken. We hoorden vanaf ons plekje het klikgeluid in de knieën van de bull elanden. Dit doen ze blijkbaar om hun dominantie te bewijzen. Het werd langzaam wat koeler en we zagen dat de tafeltjes voor het diner binnen in het restaurant gedekt werden.
Vivian werd in de loop van de namiddag steeds beroerder en uiteindelijk kreeg ze diarree en moest overgeven. Hoogstwaarschijnlijk weer de bijwerkingen van de Malarone tabletten. Ze ging / kon in elk geval niet mee naar het diner. De eigenaresse was erg behulpzaam, gaf haar anti malaria armbanden, de pillen zouden nu toch niet werken met die symptomen. Een extra pil innemen had ook geen zin, omdat die er op een of andere manier toch weer zou uitkomen.
Het eten was een soort 5 gangen aangelegenheid. We kregen in eerste instantie een verkeerd menu aangeboden. We hadden al een keuze gemaakt toen de amuse kwam. Die was anders dan stond aangegeven. De kelner maakte zijn excuses, maar het ging allemaal met haperingen, alhoewel goed bedoeld. Toen we nog even aan het nagenieten waren van de wijn, wilde hij ons, waarschijnlijk onbewust, maar weg hebben.
Vivian sliep al toen wij terug kwamen, het was in elk geval donker en stil. Toch het beste medicijn.
Dag 12 Mahango National Park
We waren wat later op dan gebruikelijk en zaten daarom lekker in het ochtendzonnetje aan het ontbijt. Daarna reden we terug naar Divundu, een smerige plaats, overal rommel en afval.
De weg naar het Mahango Park was nu ook gedeeltelijk geasfalteerd. We betaalden aan de poort en reden van de weg af het eigenlijke park in. De weg zelf leidt verder naar de grenspost Mohembo (Botswana) en loopt dus dwars door het park.
Mahango National Park maakt nog deel uit van het Bwabwata Park. Het is 245 vierkante kilometer groot en de rivier Kavango loopt langs de rand ervan. In het park komen hippo, olifant, buffel, sabel, roan, impala, kudu, giraffe, zebra, Chobe Bushbuck, wildebeest en tsessebe voor. Ook leeuw en luipaard worden er gezien. We zagen alles behalve de laatste 4 genoemde dieren. In het park stonden ook enkele mooie baobabs. Het was veel droger dan toen wij hier jaren geleden in december waren. We dronken koffie op het einde van het pad langs de rivier, en reden daarna weer langzaam terug. We hadden geen zin om 20 km door diep los zand te gaan rijden voor een enkel waterhole.
Op de terugweg stopten we bij het nog niet lang geleden geopende NWR Resort bij de Popa Falls. Waterval is een groot woord voor de stroomversnellingen die hier in de rivier liggen. Het resort zag er mooi en modern uit. We liepen naar de Island bar waar vandaan we zicht hadden op de grotere stroomversnellingen. De bar zelf was niet geopend. We namen een drankje en een snack op het restaurant deck (ook hier waren geen salades verkrijgbaar) en mochten in een chalet naar binnen kijken. Prachtige units met alles erop en eraan, maar ook erg prijzig. De campsites waren daarentegen niet om aan te zien, een stoffige zanderige en hete plek, diep weggestoken in de bosjes.
We kochten nog wat water in het dorp en reden terug naar ons plekje op gras aan de rivier bij Mobola. Toen de zon wat kracht verloor, begonnen we met het voorbereiden van het eten. We hadden van Maja Duitse schnitzels kunnen kopen en daar hadden we wel eens zin in na al dat rood vlees.
Zo stil als het gisteren was bij Mobola, zo bedrijvig was het vandaag. Vanuit de chalets klonken stemmen, op de camping had een groep van vier uiteindelijk gekozen voor een plekje. Later arriveerden er nog drie auto's.
Op onze laatste avond in de Caprivi genoten we bij een G&T van de koelte, de lampjes op de hangbrug naar het eiland gaven een mooi licht dat weerkaatste in het water, de Okavango stroomde met een zacht geluid langs ons heen. Het was moeilijk voor te stellen dat Vivian het koud had gehad in de grondtent de afgelopen nacht.
Dag 11 naar Mobola Lodge
We werden gewekt door het zingen van de vogels en ook de residentiële hippo liet geregeld van zich horen.
We kregen bezoek van een troep apen, die hoog in de bomen op ons neerkeken. We namen afscheid van Dan, wilden tanken in Kongola, maar de dieselpomp was leeg daar. Gelukkig hadden we nog voldoende brandstof om in Divundu te komen. De B8 liep dwars door het Bwabwata National Park en verschillende borden wezen ons op overstekende olifanten. Die zagen we niet, zelfs geen bokje wat het wel tot een eentonig traject van ruim 200 km maakte. Maar warempel, op een 35 km afstand van Divundu, zagen we plotsklaps een groep olifanten in de struikjes langs de weg. Stonden die borden er toch niet voor niets.
We moesten net voor Divundu weer over een vies matje lopen, en het plaatsje zelf was een stoffige bende. Het waaide hard en het grijze zand stoof alle kanten uit. We tankten vol, kochten water en besloten verder te rijden naar onze camping hij Mobola Lodge. Het was reeds te laat voor een bezoek aan het Mahango Park. De entree bij Mobola gaf al een goedverzorgde indruk, die alleen maar versterkt werd toen we bij de receptie kwamen. We mochten zelf een plek uitkiezen want er waren nog geen andere campers. Ze gaf zelf aan dat campsite 3 de mooiste was. Dat was ook zo, want deze lag direct aan de Okavango rivier. Het was echter een nogal kleine plek met weinig schaduw, maar dat ondervonden we pas toen alles stond.
We aten een snee brood en zetten het vlees in de marinade voor de braai later die middag en relaxten wat. Vivian ging naar het zwembad, een soort rockpool waar het water in een waterval naar beneden viel. Over de Okavango rivier was een hangbrug gespannen naar een eiland in de rivier met een sundowner bar. We namen een kijkje in de selfcatering chalets die er werkelijk schitterend uitzagen.
Aan de overkant van de rivier lag Angola. We waren gewoon lekker lui en tegen de vroege avond werd het hout gestookt voor de braai. We hadden kudu fillet en boerewors kunnen scoren bij de dame van de camping. Jammer genoeg was er nergens in de wijde omtrek sla of enige andere verse groente verkrijgbaar. Ook Maja had geen verse groenten.Wat moeten die mensen hier afzien! Gelukkig hadden wij nog wat pakjes bietensla en blikjes groenten in de lade liggen.
Het werd minder warm toen de zon langzaam haar kracht verloor, en toen hadden we inderdaad het mooiste plekje van de camping.
Dag 10 Bwabwata National Park
Tegen zonsopkomst koelde het pas af. We maakten ons ontbijt en reden daarna naar Kongola en het Bwabwata National Park.
Het park is genoemd naar een dorpje in het reservaat en betekent: "het geluid van borrelend water". De vroegere naam is "Caprivi Game Park", het is 6100 vierkante kilometer groot en strekt zich uit tot circa 180 km vanaf de Kavango Rivier in het westen naar de Kwando Rivier in het oosten. Er komen 36 soorten kleine en grote dieren in voor.
De poort stond open maar er was niemand bij de receptie. We reden daarom maar gewoon naar binnen. Geen enkele bewegwijzering of het moesten de bordjes zijn die de richting aangaven naar Nambwa Campsite. Die hebben we dan maar gevolgd, door het diepe losse zand. We zagen kudu's en impala's. We reden eerst door een bos en toen we bij de rivier kwamen werd het open en veel mooier. We bereikten de laatste afslag naar de campsite en zagen dat de peperdure tented lodge klaar en in bedrijf was. Op een mooi open plekje, waar we eventueel gevaar van ver konden zien aankomen, en aan de rand van het water hielden we een koffiepauze. Het waaide behoorlijk, en we zagen bijna tot geen dieren, op de eerder genoemde impala's en aan de rand van het water lechwes na. Er lag een dode olifant in een bocht van de rivier en een groot aantal gieren hield de wacht aan de rand van het water.
Uiteindelijk bereikten we de Horseshoe Bend, een grote U-vormige bocht in de rivier. Vanaf de oever kon je ver kijken. We reden nog een stuk verder, zagen een eenzame olifant die gek genoeg op zijn knieën lag te graven naar water, terwijl er even verder water in overvloed was. We kwamen bij de plains, waarop we de avond ervoor hadden uitgekeken. Behalve tsetsebees was daar echter ook nu niets te zien. We draaiden om en kwamen nog wat andere auto's tegen die ook niets noemenswaardig hadden gezien. Pas in het bos niet zo heel ver van de uitgang zagen we de eerste olifanten, maar het waren er geen paar, het was een enorm grote kudde, zeker wel 400 dieren, al hadden we dat niet gelijk door. We stopten maar moesten opzij voor een jeep van de tented lodge die ons tegemoet kwam, en gewoon langs de kudde gereden was. Dat gaf ons moed en we reden een tiental meters verder, maar stootten daar op olifanten die direct naast het pad stonden. Ze flapperden met de oren, en daar stonden wij, midden in het smalle pad, diep in het zand. Ad zette de motor af en met kloppend hart wachtten we af. Totdat de dieren gewend waren aan dat witte monster, bleven ze onrustig. Een paar grote bullen passeerde ons rakelings, we durfden niet eens te kijken. Die bleven daarna lang aan een boompje knabbelen in onze directe buurt, het was alsof ze ons in de gaten wilden houden. Wat verderop kwam een deel van de kudde naar het pad, zij hadden veel baby's in hun midden. Een daarvan ging uitgeput in het zand liggen, en blokkeerde daarmee het pad volledig. De moeder, tantes en weet ik niet wat al, bleven rustig wachten langs het pad. Dat duurde eeuwen. We zagen in de achteruitkijk spiegel de Toyota staan. Met hen hadden we een kort praatje gemaakt, dicht in de buurt van de campsite. Ook zij konden niet verder want direct achter onze auto en ook wat verderop stonden olifanten midden op het pad. Dit wachten duurde meer dan een uur. Het was snikheet in de auto, we durfden zelfs geen slokje water te nemen, omdat olifanten water op honderden meters afstand kunnen ruiken. Uiteindelijk stond de kleine op en het groepje verdween in het bos aan de andere kant. Zodra wat later ook de twee bulls in onze nabijheid een paar passen dieper het bos inliepen, startte Ad de auto. In de tussentijd had zich aan de andere kant een rij van wel 6 wachtende auto's gevormd. Daarvoor moesten wij weer uitwijken, zodat die een stukje op konden rijden. We geloofden nooit dat ze gelijk verder konden rijden, de olifanten die wat verder achter ons op het pad gestaan hadden, waren daar nog niet verdwenen, toen wij wegreden.
Maar na iets meer dan 5 kwartier kon eindelijk de airco weer aan en konden we gerust ademhalen. Bij de poort betaalden we alsnog voor de permit, we kochten een nog dampend brood in Kongola en bij een paar vrouwtjes langs de weg wat aardappelen. Thuis maakten we eerst onze verlate lunch, c.q. vervroegd diner klaar. De donkey werd in de tussentijd opgestookt zodat we nog voor de schemering een frisse douche konden nemen.
Het vuur werd weer aangestookt en bij een G&T en cola genoten we in alle rust van de prachtige zonsondergang.
Dag 9 naar Mavunje campsite
Deze morgen hoefden we niet vroeg op, het was maar een klein stukje rijden naar Mavunje Campsite. We ontbeten in het zonnetje en plotsklaps werkte de wifi weer. Maar niet voor lang, want Erica en Laura kregen hun betalingssysteem niet aan de gang. Iedereen moest dus de wifi weerafzetten. Wat een getob daar.
Terwijl we zaten te wachten, keuvelden we nog wat met Laura, Simone en de zus van Laura. Het waren vreselijk aardige mensen, maar de prijs die ze vroegen voor een overnachting was te hoog voor wat ze boden. Op onze tweede dag was er niets gedaan in de tent, geen water bijgevuld, niets schoongemaakt. Het ontbijt was eigenlijk een karige aangelegenheid, de koffie daarentegen smaakte goed. De zogenaamde snacks, koffie en/of drankjes tijdens de duur betaalde combo cruise sloegen op niets. Een flesje water kregen we, dat was alles. Jammer want het is een fantastisch stukje aarde daar.
We hobbelden door het zand weer terug naar Sangwali en gingen verder op de C49 die in een grote U door het zuiden van de Caprivi loopt.
Op een gegeven moment liep de weg langs of door het Mudumu National Park, we zagen zebra's, roan's en impala's.
We kwamen voorbij aan de afslag naar Mavunje maar reden eerst door naar Kongola om te tanken en airtime te kopen, die we dan later om konden zetten naar data voor onze eigen internet verbinding.
Bij de benzinepomp in Kongola was het druk, er was maar een dieselpomp en er stonden verschillende auto's te wachten op een beurt.
Rond 11 uur belandden we op de smalle afslag naar de campsite. Na een kleine 3 kilometer stonden we voor een bord waarop stond: Stop, hoot 3 times! En daar kwam Dan al aanrennen. Een veel jongere man dan ik me had voorgesteld. Het klikte meteen en omdat er op de plaats die eigenlijk voor ons was gereserveerd, een familie met een ziek kind stond, bood Dan ons het tented camp aan. We aarzelden zelfs even omdat we zulke leuke foto's hadden gezien van de eigenlijke campsites maar dat was snel over toen we zagen wat het kamp inhield. Drie tenten met bedden, waarvan de bedden in twee tenten waren opgemaakt, een open keukentje (met grasdak) met gasstel, serviesgoed, bestek en potten en pannen. Een open eetkamer (met grasdak) compleet met stoelen, tafel en zelfs een tafelkleedje, een boma met stoelen, een wc, een hokje met grasdak waarin een teiltje dat diende als wasbak, en een open doucheruimte, zonder dak. Het geheel lag aan de Kwando rivier waarvan het water op die plek erg laag stond en het riet hoog. Een bord met "seat" erop wees ons de weg naar een open stuk water, op de oever een bank,gemaakt van een omgekeerde mokoro, met uitzicht op het water!
Een schitterend geheel! We hadden al olifanten gezien langs het pad naar de camping en Dan bevestigde dat ze "all over the place" waren. Dan is een Engelsman met een grote passie voor de natuur. We boekten gelijk een rivercruise voor de namiddag, we dronken een kop koffie in de koele eetkamer, want het waaide er lekker door. Daarna kregen we de weinige dingen die we nodig hadden van onszelf een plaatsje en we aten een snee brood met Unox knakworst. We besloten in onze daktent te overnachten maar we hoefde voor Vivian natuurlijk geen tent op te zetten. We gebruikten een van de andere twee tenten als onze "omkleedruimte". Hier zouden we het wel twee dagen uithouden!
Het werd weer vreselijk warm in de middag. Toen we de in Pretoria gekochte lichtgewicht hangmat op wilden hangen, bleek die klojo ons een beachblanket te hebben verkocht!
Enfin, tegen drie uur werden we per boot opgehaald bij de "seat" . De andere gasten zaten er al in en wat bleek, één stel uit een groep van 6 personen kwam uit Villiersdorp!! Wat kan de wereld toch klein zijn. Verder waren er nog een stelletje en twee meisjes uit de USA. Een leuk gezelschap, waar we wat mee afgelachen hebben. Het begon gelijk goed. Vanwege de lage waterstand in vooral de zijkanalen van de Kwando, had Dan al eigenhandig geulen uitgegraven, maar daar kon hij niet met alle passagiers aan boord doorheen. We moesten uitstappen en door het water waden. Het water was redelijk schoon, maar de bodem drassig en al snel bleef de crocs slipper van de man uit Kleinmond steken in de modder en hij viel met camera en al plat voorover het water in. Het was eigenlijk wel een grappig gezicht, en hij deed er zelf ook niet moeilijk over. De jonge mannelijke Amerikaanse gast was Dan's scheepsmaatje, hij hielp mee de boot door de smalle geul duwen. Blijkbaar was dit van te voren afgesproken. Het was best avontuurlijk want een eindje verderop lagen een paar krokodillen en het water was vergeven van de hippo's. Gelukkig niet op dat stuk.
Dan wist niet alleen alles over de vogels, de dieren en de natuur, maar ook veel over de omgeving en de daarin levende communities. Bovendien onderhield hij ons met allerlei hilarische anekdotes over zijn allereerste reizen door Afrika, en grappige ervaringen met eerdere gasten. We zagen natuurlijk veel vogels waarvan de mooiste de carmine bee eater was. Dit, zoals de naam al zegt, prachtige karmijnrode vogeltje was echter zo snel en beweeglijk (of een van de andere passagiers stond in de weg) dat we geen van drieën een fatsoenlijke foto hebben kunnen maken. Op de oevers zagen we lechwes, impala's, een eenzame buffel, waterbok en reed buck. Op een plek waar tegen het vallen van de avond geregeld roofdieren te zien zijn, volgens Dan, stapten we weer uit om de omgeving af te speuren. Helaas voor ins op die dag niet. We zagen de zon weer prachtig onder gaan en voor het eerst in weken hingen er wat wolkjes in de lucht. Dan bleef eigenlijk iets te lang dralen op die plek, waardoor we pas in de schemering de terugtocht aanvaardden. We moesten weer, dit maal in het donker, door het water lopen, en eenmaal uit het water, werden we belaagd door muggen op de natte benen. Het was echt pikdonker toen we bij de "seat" weer werden afgezet, maar het was een leuke en leerzame middag geweest.
Met de koplampjes op vonden we ons kamp, waar het nog vreselijk warm was. We zagen overigens dat er tijdens onze afwezigheid een olifant aan de rand van ons kamp was geweest, hij had dikke drollen achtergelaten. We legden een vuur aan, en hadden in een wip de spaghetti klaar (het vlees daarvoor hadden we immers gebraden en gekruid ingevroren gehad). We lieten het ons goed smaken in het gezellige "eetkamertje". Bij het vuur drinken we nog een glaasje wijn en na een douche kropen we het bed in, met alle ramen open in de daktent was het daar nog erg warm.
Dag 8 Nkasa Rupara National Park
Om half zeven zaten we aan het ontbijt en zagen de hemel rood kleuren en daarna de zon opkomen. Het was nog fris zo vroeg in de ochtend.
Daarna gingen we op game drive in het Nkasa Rupara National Park. Nkasa en Lupala zijn de twee grootste eilanden in het park. Dit is het grootste "wetland area" met de "conservation status" in Namibië. Als de Kwando Rivier overstroomt, wordt Nkasa Lupala een soort mini Okavango Delta. Het park is 320 vierkante kilometer groot en is een belangrijke corridor voor de olifanten die van Botswana naar Angola en Zambia trekken.
In het park komen leeuwen, olifanten, buffels, luipaarden en speciale "wetland" soorten antilopen zoals lechwe, sitatunga en reed buck voor. Het is een paradijs voor vogelaars met meer dan 400 voorkomende soorten vogels.
Van november tot april vertrekken de olifanten uit de buurt van Lupala Island naar Botswana vanwege de opkomende vloed en het gebrek aan mopane bomen in deze buurt.
Onze jasjes kwamen goed van pas in de oude open landrover. We hobbelden het park in en zagen in de verte een paar olifanten lopen, ook enkele kudu's en impala's. Het was schitterend mooi, oneindige velden met lang geel gras, hier en daar wat groepjes bomen. Een groot deel van het gebied waar wij doorheen reden, staat in de regentijd onder water. Op een gegeven moment werd de aandacht van de ranger getrokken door het feit dat het erg stoffig was. Verse sporen wezen uit dat nog niet lang geleden buffels het veld in waren getrokken. De ranger week van het pad af en volgde de sporen totdat we uitkwamen bij een open afgebrande vlakte, waar al nieuwe groene sprietjes gras ontsproten waren. Hier stond de kudde buffels, die volgens hem zeker wel 1000 exemplaren groot was.
Op het verdere stuk naar de Linyanti toe zagen we mooie lechwes, een reed buck, wrattenzwijnen en veel vogels. In een kale boom zat een martial eagle met een pas gevangen lilly trotter in zijn klauwen. Het was duidelijk dat hij niet aan zijn maaltijd zou beginnen, voordat wij weer verdwenen waren. Wij moesten een stuk of 3 waterwegen doorsteken, maar de oude Landrover had daar absoluut geen moeite mee.
Bij de Linyanti aangekomen, stapten we in de boot die midden tussen de hippo's en het papyrusriet lag. De hippo's waren niet blij met onze komst maar daar trokken de rangers zich niets van aan. Het was een prachtige maar vooral rustige tocht. Geen geluid als dat van de vogels en de motor van de boot. We zagen lechwes, impala's, een krokodil, mooie kraanvogels (andere dan die bij ons in de Kaap), waterbokken op de Botswaanse oever en natuurlijk hippo's.
De tocht duurde ongeveer een uur, het was inmiddels alweer goed warm geworden, ondanks het feit dat er een koel briesje boven het water stond. Terug bij de auto namen we een drankje en hotsten en botsten tenslotte weer terug naar de lodge. We zagen voor de eerste keer een in bloei staande sausage tree met ook al jonge groene blaadjes. In Kruger Park zijn ze om deze tijd nog kaal, en de grote, op worsten lijkende vruchten hangen er nog aan.
Bij de lodge aangekomen, spoelden we eerst het stof van ons af. Daarna reorganiseerde ik mijn tas en toilettas en wat vond ik daar helemaal onder in die toilettas..... mijn horloge. Had ik op het laatste moment toch blijkbaar voor de veiligere optie gekozen en had het niet op het plankje boven de wastafel gelegd. Een hele opluchting.
We besloten geen optionele lunch, die uit pasta bestond, te nemen. Zoveel dikmakers op één dag is een beetje te veel van het goede. We namen een cracker met makreel en dronken daarbij een gekregen klein flesje champagne op.
We brachten de middag al relaxend (Vivian lekker aan het zwembad van de lodge) door, wifi werkte amper en al helemaal niet op Apple apparatuur. We dronken thee met een plak cake daarbij, maakten een praatje met Laura en gingen na zonsondergang aan het diner. Dat kwam veel te laat voor ons en alleen de soep en de malva taart waren lekker. Het vlees was jammer genoeg te gaar en te droog.
Dag 7 naar Nkasa Lupala Lodge
In de nacht hoorden we getrompetter van olifanten en het loeien van buffels, verder was het erg rustig. Ook onze mede kampeerders hielden zich gedeisd. Het ochtendritueel liep gesmeerd, we raakten gewend aan het ritme, de taken verdeeld. Ad stookte de donkey op terwijl wij het ontbijt klaar maakten. Daarna werd er gepakt en gedoucht.
We reden net na 8 uur weg van Senyati. Op de weg door het park zagen we achtereenvolgens een hele kudde sabel antilopen (heel zeldzaam, tenminste in Zuid-Afrika), drie hyena's die ver voor onze auto de weg overstaken en twee kuddes olifanten.
Bij de grens was het een drama. We hadden de pech een lokale familie voor ons in de rij te hebben die èn bij de Botswaanse èn bij de Namibische douane ongelofelijk lang werk hadden. Aan de Namibische kant werden we eerst op Ebola gecontroleerd, ook een wassen neus natuurlijk. Daarna moest het formulier ingevuld worden voor de road tax. Vervolgens de paspoort controle, en daarna nog een politie controle, waar weer alle gegevens van de auto en het paspoort ingevuld moesten worden bij een zeer onvriendelijke beambte, die ons uiteindelijk doorliet. Het was warm en de temperatuur liep op naar 35 graden.
We dronken een kop koffie langs de weg, stopten in Katima Mulilo, dat tot onze verrassing veel groter was dan wij ons herinnerden. We kochten broodjes en reden verder over de onlangs geasfalteerde weg C49 naar het zuiden, richting Sangwali. Overal langs de weg lagen nederzettingen met traditionele hutjes. Het viel op dat er weinig of geen rommel langs en bij die hutjes lag. We passeerden tot 3 maal toe een veterinaire controle en alleen bij de laatste werden de autobanden ingespoten met desinfecterend middel, en moesten wij over een met desinfecterend middel doorweekte mat lopen. Wat een viezigheid.
Bij Sangwali moesten we van de weg af, door het dorp, en daarna 11 km over een 4x4 track door diep, rul zand. We passeerden 3 bruggen, en stopten in de mooie natuur om ons broodje op te eten.
Na 10 km bereikten we de ingang van het Nkasa Rupara National Park, het vroegere Mamili National Park. De Nkasa Lupala tented lodge lag 1 km ten oosten hiervan, aan de rand van het niet omheinde park.
We werden opgewacht met opfrisdoekjes en een drankje, kregen een briefing van de Italiaanse eigenaresse Laura, die een baby aan de borst had.
De lodge lag heel idyllisch op het Lupala Island aan de oever van de Kwando-Linyanti rivier, of een van de vele uitlopers daarvan, en de Meru tenten, gebouwd op een houten dek, keken uit op dit water. De Linyanti rivier vormt een eindje verder het park in weer de grens met Botswana.
We relaxten wat op ons eigen dek, en gingen rond 16.00 uur naar de lounge voor thee met cake. Er was free wifi maar die was zo oneindig traag, dat je geduld wel heel erg op de proef werd gesteld. In de verte zagen we een kudde olifanten, maar verder was er niet veel loos. De lodge was vol bezet met een arrogante Italiaanse groep en een luidruchtige Duitse groep. Na een verfrissende douche en een sundowner kozen we ervoor niet samen met die andere groepen aan één tafel te gaan zitten. De tafels waren mooi gedekt met linnen en kristal, kaarsjes en solarlampjes. Het zag er heel gezellig, zelfs romantisch uit.
Het eten was niets bijzonders maar het smaakte wel. Het hoofdgerecht bestond uit vis, een beetje onwerkelijk als je midden in de bush zit. We boekten onze combo tour voor de volgende ochtend en gingen zoals altijd op tijd naar onze tent. Vanuit het bed keken we naar de flonkerende sterren, en bij het geluid van de kikkers en de nijlpaarden vielen we snel in slaap.
Dag 6 Chobe National Park
Gisterenavond hebben we nog optimaal gebruik gemaakt van de sateliet wifi bij de bar met uitzicht op de verlichte waterhole. Er kwamen olifanten en buffels drinken, maar foto's maken in het donker was niet gemakkelijk. In de ondergrondse hide konden we de dieren van nog dichterbij bekijken zonder dat ze het in de gaten hadden.
We gingen voor afrikaanse begrippen best laat naar bed en werden vergezelt door het gehuil van een hyena, Hier bleef het niet bij, we werden opgeschrikt door het getrompetter van een olifant, heel dichtbij dit keer. Vanuit de daktent hoorden we bladeren ritselen, en vroegen ons af of de wind ineens was opgestoken. Toen werd er ergens op een deur of stuk hout gebonkt en opgewonden Duitse stemmen er doorheen.
We keken uit ons raam en zagen in het bosje achter onze daktent een olifant van de mopaneblaadjes snoepen. De bewaking scheen met een sterke zaklamp op hem, maar hij liet zich niet verjagen. Tenslotte kwam de bewaking in het vrachtautootje aanzetten en na ongeveer een half uur schoot de olifant weg uit het bosje, verder de camping door. We hoorden nog lang het motorgeronk van het vrachtautootje. Toen pas gingen de Duitsers met behoorlijk veel lawaai naar bed.
De donkey zou pas rond 08.00 uur in de morgen worden opgestookt, zodat een warme douche in principe niet haalbaar was. Ad echter stookte de boel aan en het water werd lauw, niet echt warm. Na het ontbijt reden we naar Chobe National Park. Onderweg zagen we alweer olifanten. Na de formaliteiten bij de gate, reden we de route langs Chobe River Front, dus langs de oever van de rivier. Zo een heel ander gebied dan wij gewend zijn in de parken van Zuid-Afrika. We vergaten weer even dat we op zoek waren naar wild, zo mooi was het.
Chobe National Park is niet omheind, is ongeveer 12000 vierkante kilometer groot en heeft een olifantenpopulatie van ca. 50000 tot 70000 exemplaren! Aan de noordkant van het reservaat stroomt de Chobe rivier, die bij de olifanten bijzonder geliefd is als drinkplaats, met name in de droge periode.
We zagen gelijk, hoe kan het ook anders, olifanten, die in een rij geluidloos door het bos liepen, vlak daarna drie mooie sabelantilopes, die separaat van elkaar naar het water liepen om een slokje te drinken. Fisheagles, lilac breasted rollers, bee eaters, een mooie arend, heel veel Guinea Fowls en allerlei soorten watervogels. Impala's, roan's (bastaard Gemsbok), warthogs, buffels, giraffen, zebra's, hippo's, krokodillen en natuurlijk olifanten. Ook zagen we in totaal drie dode olifanten.
Het was niet makkelijk rijden door het diepe losse zand, alhoewel de Disco er niet al te veel moeite mee bleek te hebben. We hotsten en botsten tot aan de picknickplaats Serondela, heel idyllisch gelegen langs de oever van de rivier. Aan de overkant stonden olifanten, achter ons een stuk of vijf giraffen. We dronken een koffietje en wilden nog verder rijden tot aan de campsite Ihaha. We stootten bij de goudgele velden van de Lewche Flats op een kudde buffels, zo enorm groot, dat we moeilijk konden schatten om hoeveel dieren het zou gaan. Een stukje verder een hele grote kudde olifanten.
Daarna was het rustig, het werd ook erg warm, later bleek het 35 graden te zijn. Net voordat we bij Ihaha zouden geraken, besloten we dat het genoeg was geweest. We sloegen een smal dwarspad in, dat, naar we hoopten op de geasfalteerde weg zou uitkomen, tussen Kasane en de grens met Namibië en die dwars door het Chobe park loopt. De bewegwijzering in het park liet veel te wensen over, en ook de kaart die we bij de ingang kregen uitgereikt, was erg onduidelijk (en vele malen gekopieerd).
We namen een lunch op het warme terras van Chobe Safari Lodge met uitzicht uiteraard op de rivier, tankten de auto vol van onze laatste Botswaanse Pula's en reden daarna naar de camping. Olifanten stonden in groepjes onder de bomen voor schaduw. Gelukkig was er op het platje van ons "Khayelitsha huisje" ook schaduw, want in de zon was het niet uit te houden. Bij de waterplaats was het vooralsnog rustig. Toch wilden we tegen zonsondergang in de bar zijn, om eventuele dieren nog bij daglicht te kunnen zien.